In het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening wordt bepaald dat er op 3 niveaus ruimtelijke structuurplannen moeten worden opgemaakt:
Elk structuurplan bestaat uit 3 delen, namelijk een bindend, richtinggevend en een informatief gedeelte.
Het informatieve gedeelte bevat de bestaande ruimtelijke structuur, de problemen, de potenties, de trends en de prognoses. Dit gedeelte is opgemaakt op basis van sectorale en gebiedsgerichte deelstudies.
De Gewenste Ruimtelijke Structuur is het indicatieve gedeelte en dus richtinggevend voor de overheid. Van dit toetsingskader kan de Vlaamse Regering alleen afwijken met een gemotiveerde beslissing.
De bindende bepalingen leveren het kader voor de uitvoerende maatregelen waarmee men de gewenste ruimtelijke structuur wil realiseren.
Het Ruimtelijk Structuurplan doet uitspraken over het ruimtegebruik maar legt geen bodembestemmingen vast. Het Ruimtelijk Structuurplan schept alsdusdanig geen rechten of plichten voor de burger. Het bepaalt wèl de structurerende elementen, belicht ruimtelijke potenties en bepaalt richtlijnen en organisatieprincipes voor grond- en ruimtegebruik